Zondag is het zover. De marathon van Antwerpen. Maanden naartoe gewerkt, honderden kilometers gelopen en nu valt er eigenlijk niets meer te verbeteren. Alleen nog zorgen dat ik zo fris mogelijk aan de start sta.
Om één of andere reden voel ik me die laatste week voor een wedstrijd nooit echt op mijn best. De nachten zijn niet top. Mijn HRV zit op een dieptepunt en zelfs mijn geschatte omslagpunt lijkt wat lager te komen liggen. Ik weet dat die cijfers niet alles zeggen, maar het zijn niet bepaald de signalen waarop je vlak voor een marathon hoopt. En dan zijn er nog de pijntjes. Plots voel je alles, alsof je lichaam net nu besluit om wat moeilijk te doen. De rib die me de voorbije dagen parten speelde, voelt gelukkig al een stuk beter. Gisteren kon ik nog twintig minuten rustig lopen en de pijn is intussen enigszins draaglijk. Niet helemaal weg dus, maar toch een geruststelling.
Het was bovendien een emotionele week, ook op het werk. Met enkele intense gesprekken die blijven hangen, ook wanneer de werkdag erop zit. Niet bepaald de ideale manier om met een leeg hoofd richting zondag te gaan. Ook buiten het lopen was het dus allesbehalve een rustige aanloop.
Het vreemde is dat de benen eigenlijk behoorlijk fris aanvoelen. Al blijft het wennen om na al die trainingsweken plots zo weinig te lopen. Je weet dat rusten nu het beste is, maar het voelt niet altijd zo. Het liefst zou ik nog eens stevig gaan lopen, gewoon om te voelen dat alles werkt. Terwijl dat waarschijnlijk het domste is wat ik nu kan doen.
Ondertussen ben ik volop aan het carboloaden. Extra koolhydraten om de glycogeenvoorraden in de spieren aan te vullen. Rijst, pasta, pannenkoeken, peperkoek. Allemaal met een doel, maar ik zit ondertussen behoorlijk vol. Eten zonder honger blijkt ook een discipline op zich. En er moet nog een dag bij. Ik had nooit gedacht dat ik op een bepaald moment genoeg zou krijgen van koolhydraten.
Er zijn genoeg redenen om optimistisch te zijn. De voorbereiding verliep behoorlijk goed en veel factoren zaten de afgelopen weken mee. Toch is het vertrouwen er niet helemaal. Een marathon blijft een vreemde afstand. Je kunt alles goed voorbereiden en toch niet weten wat er na dertig kilometer gebeurt. Het blijft dus enigszins bang afwachten of zondag alles samenvalt.
En tegelijk is er vooral veel goesting. De spanning neemt toe en ik betrap mezelf erop dat ik voortdurend aan zondag denk. Hoe de eerste kilometers zullen voelen, of het tempo vanzelf komt, hoe lang ik het kan vasthouden. Ergens hoop ik dat de dag voorbijvliegt, maar eigenlijk wil ik er ook volop van genieten. Het is tenslotte hiervoor dat ik al die maanden heb getraind.
Ik kijk ernaar uit om eindelijk te vertrekken. Niet meer nadenken over elk pijntje, niet meer rekenen hoeveel koolhydraten ik nog moet eten. Gewoon lopen en zien wat de dag brengt. Met die drie uur ergens voortdurend in mijn achterhoofd.
Nog twee nachten. Eerst nog wat eten.