Vooraf was het plan eenvoudig: niet racen.

De Kesseloop kwam midden in de taper richting Antwerpen. Zestien kilometer lopen was prima, zolang het maar een hersteltraining bleef. Geen tempo najagen, geen wedstrijd maken van iets wat toevallig een startnummer had.

Dat is verrassend goed gelukt.

We liepen ongeveer 5:30 per kilometer. Mijn hartslag bleef laag en de inspanning voelde eigenlijk zoals ze moest voelen. Rustig genoeg om achteraf het gevoel te hebben dat de training meer had opgeleverd dan ze had gekost.

Het parcours hielp niet noodzakelijk mee.

Ik liep samen met een collega wiens hartslag op een bepaald moment 193 aantikte. Dat zegt misschien evenveel over hem als over het parcours, maar de Vertommensberg en de andere hellingen maakten in elk geval duidelijk dat Kessel-Lo niet helemaal vlak is.

Gelukkig had de organisatie iets bedacht wat perfect paste bij mijn plan: een glijdende start.

Je mocht ergens tussen 10 en 12 uur vertrekken. Door wat vertraging bij de Antwerpse connectie stonden wij uiteindelijk pas rond half elf aan de start. Tegen dan was een groot deel van het veld al een half uur onderweg.

Ideaal eigenlijk.

Er was niemand om achterna te lopen. Geen groep waar je per ongeluk in meegaat. Geen startschot dat je de eerste kilometer twintig seconden te snel laat lopen.

Gewoon vertrekken.

Ik loop bijna altijd alleen. Tijdens trainingen sowieso, maar meestal ook tijdens wedstrijden. Samen lopen was daarom eens iets anders. Best aangenaam zelfs.

Al kreeg ik onderweg wel de indruk dat mijn collega vond dat ik behoorlijk veel praatte.

Misschien is dat ook een goede graadmeter voor een hersteltraining. Als je zestien kilometer lang een gesprek kunt voeren, zit je waarschijnlijk niet te dicht tegen je wedstrijdtempo.

Zo liepen we rustig verder. Heuvel op, heuvel af. Geen tempo najagen. Geen gekke dingen doen.

Tot we de finish zagen.

Hoe vriendelijk en ontspannen het er onderweg ook aan toeging, blijkbaar verdwijnt er iets van die redelijkheid zodra er een aankomstboog in beeld komt.

We keken naar elkaar.

En natuurlijk gingen we sprinten.

Niet lang. Niet verstandig misschien. Maar wel onvermijdelijk.

Daarna was het meteen weer duidelijk waarom het zo'n geslaagde training was geweest. Geen uitgeput gevoel, geen zware benen, geen idee dat ik iets had moeten bewijzen.

Gewoon zestien kilometer gelopen, grotendeels exact zoals gepland.

En één kleine eindsprint.

Sommige gewoontes krijg je er blijkbaar moeilijk uit.