Er zijn trainingen waar je vooraf iets van verwacht.
Een lange duurloop die verder gaat dan de vorige. Een tempoblok dat net wat sneller mag. Een intervaltraining waarbij je achteraf graag ziet dat de cijfers kloppen.
Dat zijn ook de trainingen die makkelijk blijven hangen.
Minder memorabel zijn de andere. Een rustig uur. Acht kilometer zonder bijzonder tempo. Een training die precies doet wat ze moest doen en verder weinig oplevert om over te vertellen.
Ik heb lang gedacht dat vooruitgang vooral in die eerste soort zat.
Dat je beter werd op de dagen waarop je iets scherps deed. Iets sneller, langer of moeilijker dan ervoor. Waarschijnlijk omdat die dagen het duidelijkst tonen dat er iets veranderd is.
Maar hoe langer ik loop, hoe meer ik vermoed dat de minder opvallende trainingen belangrijker zijn dan ze eruitzien.
Niet omdat rustig lopen geheimzinnig goed zou zijn. Wel omdat je het kunt blijven doen.
Een training die je volledig leeg trekt kan op zichzelf sterk zijn. Een training die je twee dagen later opnieuw laat trainen, past beter in een reeks. En uiteindelijk lijkt bijna alles in lopen uit die reeks te komen.
Niet uit één uitzonderlijke zondag, maar uit veel dinsdagen en donderdagen waarop er niets bijzonders gebeurde.
Dat vraagt soms wat discipline van een andere soort.
Niet harder lopen wanneer het goed voelt. Niet nog een kilometer toevoegen omdat het kan. Niet proberen van elke training bewijs te maken dat je vooruitgaat.
Sommige trainingen mogen gewoon verdwijnen in het geheel.
Eigenlijk past dat goed bij waarom ik met The Long Run begonnen ben. Ik ben niet zo geïnteresseerd in één goede periode als in de vraag hoe je dit lang genoeg blijft doen om te zien waar je uiteindelijk terechtkomt.
Dan wordt herhaalbaarheid ineens een vrij bruikbare maatstaf.
Niet: was dit mijn beste training?
Wel: kan ik hier morgen nog op verder bouwen?