Toen ik begon te lopen, was het allemaal vrij eenvoudig.
Schoenen aan, naar buiten en proberen wat verder te raken dan de vorige keer. Ik wist weinig over zones, trainingsbelasting, cadans of herstel. Ik had ook geen idee welke schoenen bij welk type training hoorden.
Dat was niet noodzakelijk slimmer, maar wel overzichtelijk.
Intussen weet ik meer.
Ik kijk naar tempo en hartslag. Ik weet ongeveer wat een rustige training hoort te zijn en wanneer een snelle training te snel wordt. Ik denk na over herstel, voeding, schoenen en hoeveel belasting een week eigenlijk aankan.
Op zich allemaal nuttig.
Alleen merk ik dat beter worden ook iets anders doet. Er komen steeds meer manieren bij waarop een training niet helemaal goed kan zijn.
Een rustige loop kan te snel zijn. Een interval net te traag. De hartslag wat hoger dan verwacht. De benen minder fris dan gisteren. Een training die vroeger gewoon een goede tien kilometer was, kan nu ineens aanleiding geven tot een hele analyse.
Daar zit iets vreemds in.
Je leert meer om beter te kunnen lopen, maar diezelfde kennis kan het lopen ook ingewikkelder maken.
Ik herken het vooral wanneer ik naar mijn horloge kijk en al tijdens een training begin te beoordelen wat er gebeurt. Niet alleen lopen, maar tegelijk controleren of ik goed aan het lopen ben.
Dat verschil is klein, maar ik voel het wel.
Data helpt me. Zonder twijfel. Ik train vandaag verstandiger dan een paar jaar geleden en ik zou niet graag opnieuw volledig op gevoel werken.
Maar niet alles wat meetbaar is, moet ook voortdurend beoordeeld worden.
Soms is een hogere hartslag gewoon een hogere hartslag. Soms voelen de benen wat minder goed omdat je een slechte nacht had. En soms heb je een training waarvan achteraf weinig interessants te zeggen valt.
Die trainingen blijken trouwens verrassend vaak prima. Vaak zijn het precies de trainingen die je later nauwelijks nog onthoudt.
Hetzelfde geldt voor materiaal. Op een bepaald moment weet je welke schoen lichter is, welke meer demping heeft, welke beter werkt voor tempo en hoeveel kilometer er ongeveer op elk paar staat.
Handig.
Tot je begint te denken dat voor elke training ook de perfecte schoen bestaat.
Waarschijnlijk gebeurt er iets gelijkaardigs met doelen. Eerst wil je gewoon vijf kilometer kunnen lopen. Daarna wil je tien kilometer sneller. Dan een halve marathon. Een marathon. Een bepaalde tijd.
Er komt altijd wel iets bij.
Ik wil daar ook niet van af. Ik vind het net leuk om beter te worden. Een doel maakt trainen interessanter en cijfers kunnen helpen om te zien of je op de goede weg zit.
Alleen probeer ik af en toe te onthouden waarom ik al die dingen ben beginnen meten.
Omdat ik graag loop.
Niet andersom.
Ik hoef dus niet na elke training een conclusie te hebben. Niet elke afwijking vraagt een verklaring en niet elke mindere dag moet opgelost worden.
Soms was het gewoon dinsdag en liep ik tien kilometer.
Zonder meer.